Coeliakie

IMMUNOLOGISCH ONDERZOEK BIJ VERDENKING COELIAKIE

Het  serologisch onderzoek naar coeliakie omvat de volgende bepalingen:

  • Totaal IgA in serum
  • Anti-endomysium antistoffen
  • Ant-tTG antistoffen

Uitsluiten van coeliakie bij risicogroep (bijv. Down syndroom, Turner syndroom, type 1 diabetes mellitus, verwanten van coeliakie patiënten):

  • HLA-DQ typering


Interpretatie

IgA totaal:
>0,06 g/L: sluit een IgA deficiëntie uit en maakt daarmee de bepaling van endomysium- en tTG antistoffen betrouwbaar te interpreteren.
IgA deficiënties komen relatief veel voor (1:400-1:800) en mensen met een selectieve IgA deficiëntie hebben een (zestien maal) verhoogde kans op coeliakie.
<0,06 g/L: er is er sprake van een IgA deficiëntie, anti-endomysium- en anti-tTG antistoffen van de IgG klasse zullen worden bepaald, die overigens minder specifiek voor de diagnose coeliakie zijn.

Anti-endomysium antistoffen en/of tTG antistoffen positief:
Aanwezigheid van antistoffen tegen endomysium en/of tTG pleiten voor de diagnose coeliakie.
De specificiteit van beide testen is hoog (>98%), maar is afhankelijk van de mate van enteropathie. Antistoffen kunnen vooruit lopen op de ontwikkeling van een enteropathie.

Een glutenvrij dieet maakt dat antistoffen tegen endomysium en tTG weer verdwijnen en dient dus pas gestart te worden nadat diagnose gesteld is.

Afwezigheid van antistoffen tegen endomysium en/of tTG maken de diagnose coeliakie onwaarschijnlijk maar sluiten niet uit. Andersom kunnen de De definitieve diagnose wordt gesteld op biopten van de dunne darm.

HLA-DQ:
Coeliakie is geassocieerd met HLA-DQ2 en HLA-DQ8. Het niet hebben van deze HLA-DQ genen sluit de diagnose uit. Personen met een verhoogd risico op het ontwikkelen van coeliakie hoeven, indien zij HLA-DQ2 en –DQ8 negatief zijn niet herhaaldelijk voor coeliakie gescreend te worden.

Immuunfluorescentie van apen-oesofagusweefsel geïncubeerd met serum van een coeliakie patiënt (endomysium antistoffen aantoonbaar)