Q koorts

Microbiologische diagnostiek
In te zenden materiaal: 2 x 6 ml bloed in stolbuis
Uitvoering in laboratorium:
1ste ziektedag ≤ 14 dagen geleden: serologie en/of PCR Coxiella in serum
1ste ziektedag ≥ 14 dagen geleden: serologie

Vervolgdiagnostiek
Indien een Coxiella infectie is vastgesteld, neemt de arts-microbioloog contact met u op voor het doen van vervolgonderzoek (serologie/PCR)
Is alleen nodig bij patiënten met:

  • Pre-existente hartafwijking (klepgebreken/prothese)
  • Infectieus, mycotisch aneurysma
  • Vasculaire prothese
  • Verminderde immuniteit
  • Zwangerschap

Tijdstippen: 6 en 12 maanden na definitief vastgestelde Coxiella infectie
6 ml bloed in stolbuis op 6 en 12 maanden vanaf vaststellen diagnose Q-koorts, serologie/PCR
De uitslag wordt verzonden aan de behandelend arts

Serologische/bacteriologische diagnostiek
De diagnose Q-koorts wordt serologisch bevestigd. Indirecte immunofluorescentie is de referentiemethode. Een andere techniek die gebruikt kan worden is de complementbindingsreactie (CBR). Bij acute infecties zijn de antistoftiters tegen fase-II-antigeen hoger dan tegen fase I. Pas vier maanden na de infectie bereiken de antistoffen tegen fase I hun hoogste waarde. IgM- antistoffen kunnen lang persisteren (tot langer dan zes maanden) en zijn in een eenmalig afgenomen serum van beperkte waarde voor de diagnostiek. Een hoge IgM-antistoftiter of een viervoudige titerstijging van IgG tegen fase-II-antigenen is bewijzend voor een acute infectie. Een hoge IgG-titer tegen fase-I-antigenen (naast fase II) duidt op een chronische infectie. Serologische bevindingen bij chronisch vermoeide patiënten zijn identiek aan die bij restloos genezen Q-koorts patiënten. Vervolgdiagnostiek bij risicogroepen wordt verricht op 3, 6 en 12 maanden na vaststellen van de infectie. Voor niet risicogroepen kan dit worden beperkt tot een eenmalige controle op maand 9 na vaststellen van de infectie.
C. burnetii kan uit bloed en uitscheidingsproducten worden geïsoleerd en gekweekt in een conventionele weefselkweek (Vero cellen, monkey kidney cellen). Door het hoge infectierisico voor laboratoriumpersoneel gebeurt dit alleen in gespecialiseerde laboratoria (BSL-3).

Moleculair biologische diagnostiek
Tijdens de eerste 14 dagen van acute Q-koorts is de antistofproductie nog niet op gang. In deze vroeg acute fase kunnen moleculair diagnostische technieken worden gebruikt om C. burnetii DNA aan te tonen in serum dan wel EDTA bloed. Omdat de hoeveelheid C. burnetii DNA in het bloed meestal laag is, is het van belang een gevoelige PCR test (multicopy gen) te gebruiken. Met de ontwikkeling van de verschillende antistoffen tegen C. burnetii vanaf circa dag 14 (achtereenvolgens fase II IgM, fase II IgG, fase I IgM en fase II IgG antistoffen) neemt de gevoeligheid van de PCR af. Tijdens de zwangerschap kan acute Q-koorts leiden tot abortus, groeivertraging of intrauteriene vruchtdood. Moleculair diagnostische technieken kunnen worden gebruikt om C. burnetii DNA aan te tonen in zwangerschapsproducten, in het bijzonder placentaweefsel. Chronische Q-koorts uit zich in het laboratorium in de regel met het hierboven beschreven serologisch profiel in combinatie met middels PCR aantoonbare hoeveelheden C. burnetii DNA in serum dan wel EDTA bloed. Bij patiënten met chronische Q-koorts kan C. burnetii DNA door middel van PCR ook worden aangetoond in vasculaire structuren zoals hartkleppen en mycotische aneurysmata.

Overige diagnostiek
Aangezien klachten en symptomen niet specifiek zijn is het moeilijk om een diagnose te stellen zonder een geschikte laboratoriumtest. Het aantal witte bloedcellen is gewoonlijk normaal en een lichte stijging van de leverenzymen wordt in vrijwel alle patiënten waargenomen. In patiënten met hepatitis kunnen de typische 'doughnut granuloma' (fibrine en ontstekingscellen rondom een centrale opheldering) in een leverbiopsie worden gezien.